Onze "Otto"

De "Otto" spuit werd door de Gemeente Castricum in 1920 van de Gemeente Zaandam aangekocht. Zaandam heeft hem gebruikt van 1910 tot 1920. Reden genoeg om ook over deze periode te verhalen, temeer omdat in de Zaanstreek veel industrie was en ook brand.

Uit het boek "Brand" van H.L.M. van Heynsbergen een passage in de gezwollen verteltrant van die dagen. Tot goed begrip diene dat het voor die dagen een zeer zwaar geval was, de spuit stond op een uit hout en metaal samengestelde wagen met ijzer beslagen houten wielen, met een langboom en twee paarden ervoor. De spuitgasten stonden bovendien ook nog op de wagen. Dat ging dan met flinke vaart over de stenen wegen, die toen ook nog niet zo vlak en egaal waren als tegenwoordig, naar de brand.

Het verhaal van de heer Van Heynsbergen gaat over de brand in de graanpakhuizen "Java" van de fa. Krul & Co aan de Oostzijde te Zaandam op 23 januari 1920. Bij deze brand werd behalve met "Otto" ook nog met 6 andere spuiten gewerkt. Het was tevens de laatste brand in Zaandam dat er met "Otto" werd gewerkt.

"Zo hadden we dan ook voor kort besloten de vierwielige motorspuit (onze allereerste motor) te verkopen en daarvoor in plaats een automobielspuit aan te schaffen. Deze laatste was nog niet gearriveerd, maar de motorspuit hadden we verkocht naar Castricum, doch deze was nog niet afgeleverd, en op van deze bovengenoemde brand nog in ons bezit.
In 1910 hadden we onze eerste motorspuit ontvangen en in 1920, dus na 10 jaar dienst, werd ze weer afgedankt.
Wat hadden we fijn met dat ding gewerkt en wat was het toch een reusachtige verbetering geweest, toen dat instrument onze gelederen kwam versterken.
Op 17 januari 1910 hadden we haar voor het eerst gebruikt bij de brand van de molen "De Koker” in de Oostzijde bij het grote Glop, en nu, op 23 januari 1920, het was wederom in de Oostzijde maar nu bij ’t kleine Glop, nu zou het haar laatste brand zijn.

Kwart voor elf, werd op die koude januari avond op de bovenverdieping brand ontdekt en daar het geweldig rookte en er dus veel vuur aanwezig moest zijn, liet Kommandant Stam veel materiaal komen.
Met de grote paardenspuit waren we vlug weg. Erg animerend was onze tocht niet, want de steeds zo bemoedigende rode lucht ontbrak en het was miezerig weer, met een "skoftig kouwe wind”, zoals Jan Poel het uitdrukte, daarmee verradende, dat hij in deze nijvere streek is geboren.
Daar deze zware motorspuit met zijn vurige, steigerende knollen, niet over de toen nog bestaande Magere brug kon (vanwege het gewicht), waren we genoodzaakt over de Wilhelminasluis te rijden, hetgeen een groot oponthoud betekende.
We hadden niet veel manschappen, want de tijd om ze te roepen had, vanwege ons toen nog gebrekkig alarmsysteem, ontbroken. Maar toch was de spuit nog tamelijk goed bezet. We dansten en bonkten over de hard bevroren hobbelige bestrating van de Oostzijde, want de paarden bleken echte dravers te zijn en Kokkie Romeyn legde er danig de zweep op. En daar deze spuit lang niet van een licht, maar wel van een stugstel veren voorzien was, kon het niet als een lolletje beschouwd worden in deze omstandigheden op zo’n open kar uit rijden te gaan. Luid kletterden de paardenhoeven over de straatstenen. Maar nog steeds geen rode gloed. Zelfs niet toen we het grote Glop reeds gepasseerd waren.

Maar brand was er en er werd ook reeds gespoten door de no. 3 en door een straal op de waterleiding. Het rookte geweldig. Daar er boven in de "Java" veel vuur zat, dat voornamelijk in de pudding¬afdeling woedde, plaatsten wij daar twee stralen in van beneden af.
We probeerden de trap op te komen om door te dringen tot de vuurhaard, maar dat ging niet vanwege de verstikkende rook.
Niet alleen de drijvende spuit deed uitermate haar best, maar ook onze rijdende vierwieler.
Ik zei u reeds dat dit haar laatste brand was en het was alsof ze dat aanvoelde. Ze spoot zo geweldig goed, dat het ons begon te nozen dat ze weg moest.
Het scheen of ze zelf wou zeggen: "Ik zal jullie laten zien, dat ik toch nog niet zo beroerd ben, als jullie wel van me denken".
En werkelijk het moest gezegd, ze spoot uitstekend. Het was beslist een lieve lust aan de straalpijpen te staan.

De stromen water, die uit de brand de Oostzijde overstroomden en vandaar de lage landen van Oostzijderveld en Kalverveld inundeerden, wiesen nog aan door de vloed onzer tranen, die vanwege het komende afscheid werden geplengd.

Wat zijn wij mensen dan toch ook ondankbaar om zo’n trouwe kameraad, die ons zo goed heeft gediend en waarmee we zo veel successen hadden behaald, de eerste motorspuit in den lande nog wel, om die zomaar ineens naar Castricum te verbannen. Tien jaar lang bij dag en nacht, weer of geen weer, tijdens hittegolven en barre vriesnachten, had ze meer dan zestig keer ons trouw terzijde gestaan. Bij ruim zestig branden had ze uitstekend dienst gedaan, ook verschillende keren buiten Zaandam. Nooit had ze ons in de steek gelaten en noch vannacht had ze onafgebroken ruim vijf uur achter elkaar gewerkt. Geen wonder dat het mij wee om het harte werd, toen om tegen vijf uur die morgen de spuit in de remise werd geplaatst, de paarden door Kokkie werden weggevoerd en de twee kaarslantaarns werden gedoofd, waarna dikke Piet met een meedogenloze klap de spuithuisdeuren dicht smakte, niet peilende het leed, dat mij als een scherp zwaard door de ziel sneed.
Tijdens het naar huis lopen waagde ik het om Piet in mijn smart te betrek¬ken, maar hij zei spottend: "Treur je daarover? Ik wou je wijzer hebben"; en niet zonder minachting zei hij: "Dat ouwe lor, hoe is het mogelijk”. Ik schrok van zulk een verwijt, en mij kwam een Arabisch spreekwoord in de gedachte: "Werp nooit een steen in de put waaruit ge gedronken hebt."
De vierwielige motorspuit is kort nadien aan de gemeente Castricum af¬geleverd. waar ze nu nog steeds dienst doet. (1945)

Zoals bekend werd de "Otto" motorspuit in 1920 van Zaandam overgenomen. In de notulenvan de raadsvergadering waarin het betreffende besluit werd genomen, lezen wij:

"Vergadering van de Raad der gemeente Castricum op Vrijdag 28 februari 1920 des voormiddags te 10 uur.

Tegenwoordig de heren: P.H.L.J. Lommen, voorzitter; G. Keys; H.J. Zandbergen; Mede aanwezig de Gemeentesecretaris.

Burgemeester en Wethouders delen mede dat het gelukt is voor de som van fl. 2500,- aan te kopen een in goede staat zijnde motorbrandspuit."

Op het eerste oog lijkt de aanschafprijs van fl. 2500,- voor een gebruikte motorbrandspuit een flink bedrag, vooral in die tijd. Bezien we dat nader dan blijkt dat een vakman toendertijd fl.500,- per jaar bruto verdiende, zodat hij 5 jaar moest werken om een dergelijk bedrag te verdienen. Als we dat relativeren aan het huidige loon en prijspeil en het minimumloon hanteren van fl.25.583,- zou een nieuwe spuit fl. 127.915,- kosten. Het loon van een vakman is echter ong. fl. 40.000,- à fl. 42.000,- de spuit komt dan op fl. 200.000,-. Een moderne motorspuit met onderstel kost tegenwoordig ong. fl. 25.000,- zodat we kunnen constateren dat de prijs destijds zeker niet laag was.

De directe aanleiding voor het Gemeentebestuur om tot aanschaf van een motorspuit over te gaan, was het feit dat de vrijwillige brandweer op 11 februari 1920 was opgericht. Daarvoor was de brandweer anders georganiseerd: het was een z.g. aangewezen brandweer en dat voldeed niet meer aan de verwachtingen. De kersverse vrijwillige brandweer werd dus goed uitgerust: geen van de dorpen in de omtrek kon bogen op het bezit van een motorspuit, alles gebeurde nog met handbrandspuiten. De oude Castricumse handspuit werd in Bakkum gestationeerd maar werd nooit meer gebruikt. Het aantal vrijwilligers bedroeg 20 man, waarvan er 3 waren aangewezen om op te treden als machinist (zo heette dat toen).

De eerste jaren werd "Otto" gepoetst en vertroeteld als het ware een Prima Donna, maar er kwam geen brand en we weten het: het moet af en toe eens branden om de animo erin te houden. Het aantal verplichte oefeningen was 2 per jaar en er zal wel eens meer geoefend zijn, in ieder geval de machinisten gingen ook wel eens op zaterdagmiddag naar "Otto" kijken. Doordat de animo verflauwde werd er soms een maand lang niet naar "Otto" omgekeken en met 3 machinisten, je raad het al, liet de een het op de ander aankomen.

Totdat op 17 februari 1924 op een zondagmorgen de grote bollenschuur van de Gebr. Twisk aan de Dorpsstraat in brand stond. Jaap Jannes had met veel tumult de paarden voor de spuit gespannen en met toog in vliegende vaart van het spuithuis aan de Kramersweg naar het brandadres, dat gelukkig niet ver weg was.

Bij het brandadres aangekomen werd de spuit bij de spoorsloot neergezet, de slangen werden uitgerold en aangekoppeld, maar wat men ook probeerde: men kreeg "Otto" niet aan de praat. Grote paniek, het werd improviseren en de schuur brandde af. Volgens de een was de accu niet aanwezig, volgens vragen op 20 februari in de Raad van het raadslid Zandbergen was de pomp geheel bevroren, hetgeen best mogelijk was want het had behoorlijk gevroren en de stalling was toendertijd natuurlijk niet verwarmd.

Naar aanleiding van dit falen werd de brandweer gereorganiseerd, het aantal manschappen werd teruggebracht van 20 naar 10, met een duidelijke taakafbakening en slechts één machinist.

"Otto" heeft in latere jaren nog vele keren dienst gedaan, o.a. bij een boerderijbrand van de fam. Bomars in de Oosterbuurt in november 1924; op 15 april 1930 bij de boerderij van Rijnier Duijn op Bakkum; op 17 maart 1931 bij de boerderij van Hollenberg op Noordend; omdat in deze boerderij van Hollenberg veel hooi aanwezig was en men dacht 's nachts nog wel weer geroepen te worden had men alle spullen, spuit en slangen daar laten staan en er was afgesproken dat Dorus de Groot gewaarschuwd zou worden als het vuur weer zou oplaaien. Toen Dorus de volgende morgen 18 maart heel vroeg gewekt werd voor brand was dat niet bij Hollenberg, maar bij Bloedjes aan de Kramersweg over het spoor. In Allerijl moesten er toen slangen gehaald worden van het Noordend. "Otto" bleef daar staan. Op 17 november 1935 heeft "Otto" dienst gedaan bij een brand in de Rustende Jager; van maart tot mei 1944 was hij voor het laatst in aktie met het z.g. palen spritzen voor de Duitse Wehrmacht op het strand. Hier kom ik later op terug.

Tot 1930 werd er nog met paarden gereden. Jaap Jannes moest dan eerst 2 paarden vangen, naar het spuithuis brengen, inspannen en dan als de bliksem er vandoor. Dat kostte natuurlijk erg veel tijd en men ging moderniseren. In 1930 dus werd "Otto" geplaatst op het chassis van een oud petroleum-autootje van Rijnier Stet en daarvoor kwam een open auto als trekker met een paar ladders daarboven. Na mei 1940 kwam er een betere trekker, een Chevrolet commandowagen van het Nederlandse leger, waarin 8 personen plaats konden nemen. Het was een hele verbetering, maar helaas werd in diezelfde oorlogsjaren gevorderd door de Wehrmacht.

Het palen spritzen voor de wehrmacht, ik gebruik het Duitse woord maar, toendertijd was dat bijna het enige Duitse woord wat wij kenden. Het hele strand werd vol gezet met palen aan de laag-water lijn, deze palen stonden niet op een lijn maar kris kras door elkaar heen, sommige voorzien van mijnen. Dat alles was om landingen te verhinderen en maakte deel uit van de Westwal. Alle boeren die een paard hadden waren opgetrommeld om de boomstammen te verslepen van het strandplateau naar de plek van bestemming. De brandweer was met haar spullen gevorderd om de palen in de grond te spuiten, de eerste ploeg werd 's nachts opgehaald en dwars door de mijnenvelden naar het strand gebracht. Weigeren ging slecht want dan werd je in de kast gezet, dus spuiten. Dat spuiten gebeurde dus alleen met laagwater, in het begin deden de mannen nog aardig hun best maar de zin ging er natuurlijk snel af, vooral toen we een paar keer beschoten waren door Engelse jagers. Door het lawaai dat "Otto" maakte hoorden je ze niet komen, we kregen het in de gaten als de Duitse soldaten met een reuze vaart naar het duin toe renden, wij liepen niet hard, wisten wij veel.
Je begrijpt met "Otto" ging het niet best, hij weigerde voortdurend, er waren er onder ons die er meester in waren om hem te doen afslaan en als het zover was kreeg niemand hem meer op gang. Op zekere dag werd er weer gespoten, "Otto" stond opgesteld tegen het water aan maar dat was nog niet naar de zin van een Feldwebel met rood haar, "Otto" moest en zou meer het water in. En of er van brandweerzijde al betoogd werd dat het niet kon omdat het zeer snel hoog water zou worden, het gebeurde. Nu de Feldwebel kreeg z'n zin, het water kwam zeer snel opzetten en we kregen "Otto" niet meer op het strand. Daar stond hij midden in zee, op slot zag je nog maar een klein stukje uitlaat boven water. Zo heeft hij 2 keer hoog water over zich heen gehad. De volgende dag is hij er uit getrokken door een stoomlocomotief met lange kabels. Boven op het strandplateau en op het duin liep namelijk een rails voor de aanvoer van materiaal ten behoeve van de bunkerbouw. Dus "Otto" bedaarde weer op het strandplateau, hij was onbruikbaar, vandaar is hij terug gegaan naar het dorp maar het was uit met hem. Hij werd opgeslagen in een loods. De brandweer had geen spuit meer, geen trekker, geen paard, niets alleen nog wat slangen enz. waarmee we nog van de waterleiding konden blussen. Een pluspunt was dat we van het vervelende palenspuiten ook af waren, hoe dat verder gegaan is weet ik niet.
Na de oorlog in 1945 kregen we uit een legerdump een z.g. Austin bellenwagen als trekker-manschappenwagen en een Harland motorspuit, dat was prima materiaal en niemand dacht meer aan "Otto". Tot dat het 40 jaar bestaan naderde op 11 februari 1960 en enkele leden zich het bestaan van "Otto" herinnerden. Waar was hij? Wel hij stond nog in dezelfde loods waar hij in 1944 neergezet was op het Schulpstet. Na de bevrijding in 1945 is hij nog een keer te voorschijn gekomen om mee te rijden in een optocht maar dat was ook alles. "Otto" was dus in die loods. Het zag er treurig uit, de loods scheef gezakt, planken eruit, gaten in het dak, weer en wind hadden vrij spel en op en rond "Otto" een grote troep.

Het plan werd dus opgevat om hem naar de brandweergarage te halen (sinds 1953 zaten we in een modern gebouw) hem helemaal op te kalefateren en als het kon weer aan het draaien te krijgen. Het 40 jarig bestaan wat op 5 mei 1960 gevierd zou worden moest dan mede opgeluisterd worden door "Otto". Mannen als Gerard Hemmer, Piet Borst, Cees de Groot, Piet Gomes en andere hebben hem helemaal gerestaureerd, het oude onderstel was door midden gezakt, een ander oude onderstel werd ergens op de kop getikt en daar werd hij opgeplaatst. Er werd gelast, getimmerd, geschilderd, de hele pomp en motor uit elkaar en weer in elkaar, uiteindelijk was het moment aangebroken dat hij weer moest lopen. Na 16 jaar niet gedraaid te hebben, na een vol etmaal in zee te hebben gelegen, daarna nog 15 jaar praktisch aan weer en wind blootgesteld te zijn geweest moest het weer gebeuren, zou hij het doen? We moesten om beurten met een paar mensen draaien, "Otto" gaf geen sjoege, de grote architect van het geheel Piet Borst gaf voortdurend lichte aanwijzingen, maar nee hoor. Piet was echter niet voor een gat te vangen en hoewel het avond was, de apotheek aan de overkant moest een fles ether leveren. Piet met de ether in de weer en draaien maar jongens, toen gebeurde het, hij begon aarzelend te sputteren, gaf een paar klappen en was weer stil, na nog verschillende pogingen liep hij, eerst aarzelend dan steeds beter al had hij er zelf zin in. Een feest van jewelste, we hebben er die avond maar een glaasje fris op genomen. Een mooi resultaat na avonden en avonden van hard werken in de vrije tijd en niet op de oefenavonden.

Op 5 mei 1960 met de viering van het 40 jarig bestaan werd hij weer in volle glorie getoond en kon volop aan de demonstraties deelnemen. Vandaag de dag doet "Otto" een paar maal per jaar mee aan aktiviteiten zoals: Ringsteken in Bakkum en op evenementen in Den Helder en Vlissingen.

Bron: T. Hopman