Het ontstaan van de motor

Er zijn vooral twee namen bekend uit de motorenbouw: Otto en Diesel. Ruim honderd jaar geleden brachten de belangrijke uitvindingen van deze twee mannen de motorenbouw op gang.

"Rudolf Diesel"(1858-1913) was aan de polytechnische school van München Summa Cum Laude voor zijn ingenieursexamen geslaagd. Hij was de uitvinder van de Dieselmotor (enige jaren na Otto) en baarde daarmee in 1880 groot opzien.
"Otto" is een Otto-motor ontwikkeld uit een gasmotor in de motorenfabriek Deutz, eigendom van de fa. Otto-Langen.

Nicolaas August Otto (1832-1891) was geen ingenieur maar handelsreiziger en koopman. En werd de uitvinder van de Otto-motor in 1867. In dat jaar verscheen hij met de motor op de Parijse wereldtentoonstelling en baarde daar groot opzien, de motor werd met de Grand Prix onderscheiden. Een en ander was mogelijk geworden door toetreding van de heer Langen tot de firma, hij was de geldschieter (1864).

De Otto-motor draaide op lichtgas en was een stationaire motor met een vlamontsteking. Een schuif, die door een excentriek werd aangedreven, stuurde uitlaat, inlaat en ook de ontsteking. Het vermogen van de motor bedroeg 0,7 Kw, hij had een bouwhoogte van 200 cm. In de loop van de jaren bereikte deze motor zijn vermogengrens met 2,2Kw.

De kopers echter vroegen om steeds grotere vermogens. De heer Otto meende dat zijn motor soepeler zou gaan lopen als hij een soort luchtkussen in de cilinder kon verkrijgen. Daartoe liet hij de zuiger een loze slag maken, waardoor de lucht inderdaad tot een soort kussen gecomprimeerd werd. Maar wat Otto niet had gedacht, gebeurde: de lucht vermengde zich met het gas, door het samendrukken werd het mengsel veel explosiever en nu het ook reeds direct na het dode punt ontstoken kon worden, ontwikkelde de machine aanzienlijk meer kracht.

Dat de cilinder in feite drie loze slagen maakte tegen één werkslag (viertact) deed niet ter zake.
Otto was hiermee de uitvinder van de viertaktmotor.

Het viertakt-systeem bestaat uit:

Deze motor die in 1876 tot stand kwam, leverde een vermogen van 2,2 Kw bij 180 omwentelingen per minuut. Deze motor is het prototype van al onze huidige viertaktmotoren. Let wel het was nog steeds een stationaire motor op lichtgas.
Bij de fa. Otto-Langen werkte ook ene Gotlieb Daimler (1834-1900) en die wilde een nieuw soort motor maken met vloeibare brandstof, licht en sneldraaiend (naar negentiende-eeuwse begrippen).
Otto en Langen vonden dat maar niets en daarom begon Daimler in 1882 voor zichzelf.
Binnen twee jaar had hij de eerste lichte Daimler viertaktmotor waarop in 1885 patent werd verstrekt.
Afgezien van het ontstekingssysteem was deze motor de directe voorganger van miljoenen automotoren die in de jaren daarna werden gebouwd.

De fa. Otto-Langen bleef stationaire motoren bouwen, later echter wel op vloeibare brandstof toen het patent van Daimler vervallen was.

Dit laatste type is onze "Otto".

Bron: T. Hopman